Zegel van keizerin Maria Theresia voor het hertogdom Brabant, na 1753.

Groot zegel met tegenzegel van Maria Theresia, gebruikt voor de stukken die onder het grote zegel van Brabant passeerden. In de literatuur wordt dit type ook beschreven als het zegel van de Raad van Brabant.

De geschiedenis erachter

Toen keizer Karel VI op 20 oktober 1740 stierf, werd zijn dochter Maria Theresia soeverein over de Nederlanden. Bij elke troonswisseling moesten de oude zegels vervangen worden. Op 4 december 1741 stuurde graaf van Harrach, luitenant-gouverneur en kapitein-generaal van de Nederlanden, het ontwerp voor de nieuwe zegels naar het fiscaal ambt van Brabant. Er werden prijzen gevraagd aan twee graveurs. François Harrewijn, graveur van de zegels van Hare Majesteit, vroeg 840 gulden. Marcus Sax, een graveur uit Berlijn die in Brussel woonde, bood aan het werk te doen voor 735 gulden zonder het zilver. De Raad van Financiën besloot dat er niet meer dan 700 gulden betaald mocht worden en Sax kreeg de opdracht. Hij werd geholpen door zijn compagnon Gusman Joachim. Van dat zegel uit 1742 is tot op heden geen enkele afdruk teruggevonden.

De vrede van Aken van 1748 maakte een einde aan de Oostenrijkse Successieoorlog en gaf de Nederlanden terug aan Maria Theresia, die inmiddels keizerin was geworden. Die keizerlijke waardigheid betekende opnieuw nieuwe zegels. Op 10 juli 1752 stuurde gouverneur Karel van Lotharingen het model met de keizerlijke attributen naar de Raad van Brabant. De prijs werd vastgesteld op 50 pistolen, dat was oorspronkelijk een Spaanse gouden munt (doblón) en omgerekend 525 gulden zilver courant. De uitvoering kwam bij graveur Jacob Simon te liggen, die het zegel in 1753 sneed.

Voorzijde

Maria Theresia te paard op een steigerend ros, het hoofd frontaal naar de kijker gekeerd, het haar los in de hals en het voorhoofd omgeven door de keizerskroon. Zij draagt een rijk gebloemde japon, een halssnoer van drie rijen parels en over de schouders een zware met hermelijn gevoerde mantel, gesloten met een sierlijke gesp. Het paard draagt een dekkleed met de wapens van Lothier, Brabant en Limburg.

Boven de ruiter het wapenschild van de vorstin voor de Nederlanden, geplaatst op de dubbelkoppige adelaar en gedekt door een koningskroon, met daarboven de keizerskroon die met twee linten aan beide adelaarskoppen verbonden is. Vanuit het middenschild lopen snoeren met kwasten naar vier kleinere wapens: links Lothier en Limburg, rechts Brabant en Limburg. Onderaan een stadsgezicht van Brussel waarop het schild van het markgraafschap Antwerpen is geplaatst. De emails zijn in de schilden en op het dekkleed aangegeven. De wapens staan in Lodewijk XV cartouches met schelpwerk en hertogelijke kronen, alleen het schild van het markgraafschap van het Heilige Roomse Rijk draagt een markiezenkroon.

Omschrift tussen twee bladranden, de breedste aan de binnenzijde:
S : MARIÆ : THERESIÆ : D : G : ROM : IMP : REG : GERM : HVNG : BOH : ARCH : AVST : DVC : BVRG : PRO : DVCAT : LOTH : BRAB : LIMB : MAR : S : IMP :

Keerzijde (tegenzegel)

Het hele veld wordt ingenomen door het wapenschild van de keizerin-koningin, gelijk aan dat op de voorzijde, geplaatst op de dubbelkoppige adelaar en gedekt door een koningskroon, met de keizerskroon boven het geheel.

Omschrift:
C : S : MARIÆ : THERESIÆ : D : G : ROM : IMP : REG : GERM : HVNG : BOH : ARCHID : AVST : DVC : BVRG : PRO : DVC : LOTH : BRAB : LIMB : MAR : S : IMP :

Het omschrift uitgeschreven

Sigillum Mariae Theresiae, Dei Gratia Romanorum Imperatricis, Reginae Germaniae, Hungariae, Bohemiae, Archiducissae Austriae, Ducissae Burgundiae, pro Ducatibus Lotharingiae, Brabantiae, Limburgiae, Marchionissae Sacri Imperii.

Zegel van Maria Theresia, bij de gratie Gods keizerin der Romeinen, koningin van Duitsland, Hongarije en Bohemen, aartshertogin van Oostenrijk, hertogin van Bourgondië, voor de hertogdommen Lothier, Brabant en Limburg, markgravin van het Heilige Roomse Rijk. De C en de S aan het begin van het tegenzegel staan voor contra sigillum. De legende van het tegenzegel is verder gelijk aan die van het grote zegel, met ARCHID in plaats van ARCH en de verkorte vorm DVC in plaats van DVCAT.

De graveur

Jacob (Jacques) Simon, geboren te Londen en naar verluidt een kleinzoon van de bekende steensnijder Thomas Simon. Hij vestigde zich voor 1746 in Brussel, waar in dat jaar zijn oudste zoon Mayer werd geboren. Zijn tweede zoon Jean-Henri, geboren in 1752, zou later bekend worden als medailleur. Op de rand van het grote zegel staat: J. Simon, graveur de S.A.R. Sculpsit 1753. Op de rand van het tegenzegel staat alleen J. Simon.

Zeldzaamheid en bewaring

Bij de dood van een vorst was het gebruik om de zegelstempels te breken, zodat er geen misbruik van gemaakt kon worden. De matrijzen van 1753 ontsnapten daaraan en worden bewaard in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, in een koperen custode op vier pootjes, bekleed met groen leer en versierd met twee brede vergulde koperen banden, een slot en een vergulde Lodewijk XV handgreep. Binnenin zit een houten blok waarin de matrijs werd vastgezet. De zilveren plaat van het grote zegel meet 12 centimeter in doorsnede, het tegenzegel 98 millimeter.

Van het zegel zelf zijn maar weinig afdrukken bewaard gebleven. De beste die bekend was bij de publicatie van 1947 hangt aan een akte van 2 april 1778 uit het chartrier van Brabant. Een ander exemplaar wordt bewaard in de archieven van de Université catholique de Louvain. Hier geven ze 1760 als datum met diameter 11,5 centimeter in en hangt aan een dubbele perkamenten staart in een blikken doos.

Bronnen

Mariette Tourneur-Nicodème, “Les sceaux du Conseil de Brabant sous le règne de Marie-Thérèse”, Revue belge de Numismatique et de Sigillographie, deel XCIII, Brussel 1947, p. 117-124, met de platen X en XI. Het artikel is vrij te raadplegen via de website van het Koninklijk Belgisch Genootschap voor Numismatiek, http://www.numisbel.be/1947_11.pdf

“Grand sceau de l’impératrice Marie-Thérèse d’Autriche, particulier pour le duché de Brabant”, 1760, Archives de l’Université catholique de Louvain, ark:/33176/dlo00004pK, https://archives.uclouvain.be/ark:/33176/dlo00004pK