Noodgeld Zaltbommel

Mei 1940

Noodgeld Zaltbommel, 14 mei 1940

Op 14 mei 1940, de dag dat Nederland capituleerde, vergaderde de gemeenteraad van Zaltbommel over geld. Niet over de begroting, maar over het simpele feit dat er in de stad bijna geen contant geld meer was.

De bruggen over de Waal waren opgeblazen om de Duitse opmars te vertragen. De Bommelerwaard lag daardoor tussen twee rivieren zonder verbinding met de rest van het land. Burgemeester Tutein Nolthenius zei het die dag zo in de raad: “Voor de Bommelerwaard zijn we van alle verkeer verstoken.” Banken dicht, geldtransporten onmogelijk, De Nederlandsche Bank onbereikbaar. Tegelijk hield iedereen zijn zilveren guldens vast en wilde geen winkelier meer op de pof leveren. Binnen een paar dagen was er geen kleingeld meer.

De oplossing kwam uit de Bommelerwaard zelf. Burgemeester Van Goelst Meijer van Rossum stak per roeiboot over naar de Betuwe, vond daar een werkende telefoonlijn en kreeg van het Departement van Binnenlandsche Zaken toestemming om plaatselijk noodgeld uit te geven. Op 13 mei besloten de burgemeesters van de Bommelerwaard gezamenlijk dat elke gemeente die het nodig had, eigen geld mocht drukken. Zeven van de dertien gemeenten deden dat.

Wat er in Zaltbommel gedrukt is

Zaltbommel liet twee coupures maken bij Drukkerij Kaasjager in de stad: een kwartje op geel papier en een gulden op wit papier. Eenzijdig bedrukt, keerzijde blanco, 107 bij 91 mm. 

Op het biljet staat: “Noodgeld voor de Gemeente Zaltbommel. De Gemeente Zaltbommel verklaart dat deze bon de waarde heeft van x en als wettig betaalmiddel geldig is. Zaltbommel, 14 mei. Zonder stempel en paraaf ongeldig.”

Die laatste zin was de beveiliging. Geen watermerk, geen ingewikkelde druk, maar het gemeentestempel met het wapen van Zaltbommel, een serieletter met nummer, en de paraaf van H.M. van Zuidam, in het dagelijks leven directeur van de Nutsspaarbank aan de Gamerschestraat. Zonder die twee was een bon een velletje papier.

Er werden 4000 guldensbonnen en 4000 kwartjes gedrukt. Uiteindelijk kwamen er 2200 guldens en 800 kwartjes echt in omloop.

Waarom er zo weinig van over zijn

Het noodgeld heeft nog geen twee weken bestaan. Vanaf 15 mei kon De Nederlandsche Bank het land alweer bevoorraden, op 17 mei werd de machtiging ingetrokken en eind mei was vrijwel alles ingenomen. Wat binnenkwam werd doorgehaald, gestempeld of geperforeerd, naar het Departement gestuurd en grotendeels vernietigd.

Van de Zaltbommelse guldens zijn er 13 nooit ingewisseld. Van de kwartjes 24.

Dat is meteen het verschil tussen een geannuleerd en een niet-geannuleerd exemplaar. Een geannuleerd biljet heeft de officiële weg afgelegd en is ongeldig gemaakt. Een niet-geannuleerd biljet is er eentje die nooit is teruggekomen, iemand hield hem in zijn la of zijn portemonnee en gaf hem niet af.

Deze biljetten:

De 25 cent, niet geannuleerd

De 1 gulden, geannuleerd. Beide gedateerd 14 mei 1940.

Dit kwartje uit een groepje van 24 stuks dat nooit is ingeleverd.

Bron voor de cijfers en de gang van zaken: Jan Buylinckx, “Bommelerwaards noodgeld uit de tweede wereldoorlog”, De Beeldenaar 20-2 (1996), blz. 59 tot 75.

Catalogusreferenties T/J 156.1-2 en PL 1080.1-2, naar de standaardcatalogi van Toele & Jacobi (1996) en Plomp. 

Ex collection Verkooijen.

Gallerij