De munt van Mechteld van Gelre in Zaltbommel
Hertogendom Gelderland onder Mechteld , 1/8 groot of penning.
Waarschijnlijk in november 1375 schreef Willem van Woesic een bezorgde brief aan zijn vrouwe. Hij was rentmeester van Mechteld van Gelre en had slecht nieuws uit Schoonhoven. De tollenaar daar wilde haar geld niet aannemen. In zijn eigen woorden: uwen penninc van Bommel seere in brick. Uw penning uit Bommel schiet ernstig tekort.
Die ene zin is belangrijker dan hij lijkt. Jos Benders, die de muntslag van Mechteld in 2019 voor het eerst compleet in kaart bracht, publiceerde deze brief uit het Gelders Archief als eerste. Het is het harde bewijs dat haar munthuis in Zaltbommel stond.
Daarvoor was dat onzeker. Wilhelm Thoma stelde nog vast dat alleen Huissen buiten kijf stond, en dat verder zowel Harderwijk als Zaltbommel als muntplaats werden genoemd. Pieter Otto van der Chijs had in 1852 al vermoed dat er in Bommel werd gemunt, maar zijn enige argument was dat Mechteld daar een oorkonde had uitgevaardigd. Dat is dun. Je kunt ergens een brief tekenen zonder er een fabriek te hebben.
Een vrouw die zelf hertogin wilde worden
Op 4 december 1371 stierf Mechteld’s halfbroer Reinoud III van Gelre zonder kinderen. Wie moest hem opvolgen als landsheer van Gelre en Zutphen?
Mechteld vond dat zij dat was. Haar halfzuster Maria en haar zwager Willem van Gulik vonden van niet. Die zagen hun eigen zoon Willem als de volgende hertog, en dat jongetje was nog minderjarig. Een poging om er zonder geweld uit te komen mislukte, en er brak een successieoorlog uit die pas in 1379 zou eindigen.
In diezelfde periode trouwde Mechteld met Jan van Blois, graaf van Blois en heer van Gouda en Schoonhoven, haar derde echtgenoot. Over wanneer precies zijn de onderzoekers het niet eens. Van Schilfgaarde houdt het op 14 februari 1372 in Arnhem, Verhoef schrijft dat de bruiloft in de week na Pinksteren in Schoonhoven werd gevierd. Dat huwelijk was ook een bondgenootschap, want Jan van Blois bracht geld en macht mee uit Holland.
Haar partij boekte in het begin de nodige successen. De kastelen Grunsvoort en Kannenborg op de Veluwe vielen. Zaltbommel was vóór 20 maart 1372 in haar handen, Tiel volgde vermoedelijk in de zomer.
Waarom Zaltbommel
Benders noemt drie redenen waarom Bommel logisch was. De stad was al vanaf het begin van de oorlog van haar. Ze lag dicht bij het bevriende Brabant en Utrecht. En ze was relatief goed bereikbaar en veilig, zeker vergeleken met Huissen, dat tussen Arnhem en Nijmegen in het strijdgebied lag.
Dat laatste is geen bijzaak. Een munthuis draait op aanvoer. Kooplieden moesten met hun zilver naar de stad durven komen en er moesten vakmensen te vinden zijn.
Op 2 juli 1374 gaf Mechteld in Zaltbommel een privilege uit voor haar muntpersoneel. Van der Chijs publiceerde die tekst al in de negentiende eeuw. Zij beloofde alleen munters aan te nemen uit de sermenten van Brabant en Holland, de gezworen gilden waar de echte vakkennis zat. Die mannen kregen hetzelfde loon als in Frankrijk, Brabant of Holland. Ze waren vrij van belastingen en boetes, mochten tolvrij reizen, en werden berecht door de provoosten en gezworenen van de munt zelf. Alleen bij verkrachting, doodslag, moord en diefstal kwam de ambtman van Gelre of Zutphen eraan te pas.
Dat zijn ruime voorrechten. Benders vermoedt dat ze nodig waren om ervaren vakmensen te verleiden naar een oorlogsgebied te verhuizen. De oorkonde is trouwens vrijwel woordelijk overgenomen van een privilege van haar vader, hertog Reinoud II.
Wat er in Bommel geslagen is
Het hoofdstuk is de plak, een grote zilveren munt van ongeveer 31 millimeter waarvan de bekende exemplaren rond de drie gram wegen. Het type kwam in 1365 uit Vlaanderen en werd overal nagemaakt, ook door de Gelderse hertog Eduard. Diens munten waren het voorbeeld voor die van Mechteld.
Op de voorzijde zit een Gelderse leeuw met een helm met pauwenveren. Het omschrift noemt haar hertogin van Gelre en gravin van Zutphen. Op de keerzijde staat een gebloemd kruis met in de binnencirkel MONETA GELDERENSIS, of bij sommige stukken MONETA GELRENSIS. Munt van Gelre. Dat slaat op het land, niet op de stad Geldern.
Een muntplaats staat er nergens op. Wat er wel op staat is een politieke aanspraak: dit is het geld van het hertogdom en ik ben de hertogin.
Van der Meer dateerde de muntvondst Arnhem 1957, waarin drie plakken van Mechteld zaten, op kort vóór of niet ver na 1375. Daarmee staat vast dat deze munten uiterlijk in die jaren zijn geslagen.
Verschillende emissies
Er is een detail waar Benders bij stilstaat. De letter N in de woorden BENEDICTVS en VENIT op de keerzijde verandert systematisch van vorm. Er zijn drie varianten. Zulke verschillen zijn niet toevallig. De meest plausibele verklaring die hij geeft is dat het om opeenvolgende emissies gaat, mogelijk samenhangend met een geleidelijke verlaging van de muntvoet.
Let op het woord plausibel. Van geen enkele afzonderlijke variant is gemeten hoeveel zilver er in zit. Het is een goed onderbouwd vermoeden, geen bewezen reeks.
Er bestaat ook een zeldzame plak met twee adelaars in tegenoverliggende hoeken van het kruis, uit de vondst Arnhem 1957. Die is waarschijnlijk gemodelleerd op een Hollandse plak met twee leeuwtjes. Hetzelfde type bestaat op naam van haar tegenstander Willem van Gulik, geslagen in Venlo. Omdat Benders die Venlose plak op grond van het verloop van de strijd rond 1373 plaatst, dateert hij die van Mechteld in dezelfde tijd.
Naast de plak komen waarschijnlijk ook de halve groot van ongeveer 19 millimeter en de kleine achtste groot uit Zaltbommel. Die laatste weegt meestal tussen de 0,3 en 0,5 gram. Benders leidt de toeschrijving af uit het feit dat ook op deze stukken naar Gelre wordt verwezen. Zeker is het niet, en hij zegt dat er zelf bij.
Een munt die niet overal werd vertrouwd
De klacht van Van Woesic staat niet alleen. Op 24 juni 1376 duiken in een rekening van Jan Tolnaer, de rentmeester-generaal van Jan van Blois, boemelssche plagghen op. Ze werden gebruikt voor een betaling aan Mechteld zelf en voor vol gerekend, en dat was blijkbaar te hoog. Het voordeel dat daardoor ontstond, kwam ten goede aan de heer van Blois.
Daar zit een wrange kant aan. Haar eigen geld werd geweigerd in de stad van haar eigen echtgenoot, en in zijn boekhouding werd het te hoog gewaardeerd ten gunste van hem.
Waarom dat geld tekortschoot, vertellen de bronnen niet. Dat Mechteld bewust minder zilver liet gebruiken om haar oorlog te betalen, is aannemelijk maar staat nergens zwart op wit. Wat wel duidelijk is: een munt kan officieel een bepaalde waarde hebben, maar zodra handelaren en tollenaars hem niet meer voor die waarde willen aannemen, is dat papieren waarde.
1379: het einde in Bommel
In het najaar van 1378 sloeg het om. Tijdens het beleg van kasteel Gennep trok een deel van het Gulikse leger ’s nachts naar het kamp van Mechtelds partij bij Hönnepel, in de buurt van Kalkar. Haar leger werd verrast en vernietigend verslagen.
Op 24 maart 1379 deed ze afstand van haar aanspraken. Ze mocht zich hertogin van Gelre en gravin van Zutphen blijven noemen, maar de macht was weg. Zaltbommel kwam in handen van hertog Willem, en daarmee was het met haar munt in onze stad gedaan.
Huissen, 1379 tot 1384
Ze verhuisde naar Huissen, dat van haar bleef als weduwgoed uit haar tweede huwelijk met Johan van Kleef. De oorlog was voorbij, dus de plaats was weer veilig te bereiken.
Daar liet ze fleurkes slaan, groten met een floeronkruis op de keerzijde, plus een kwart en een achtste groot. Op deze munten staat de muntplaats wel: MONETA DE HWSCIENSIS. Er is ook een gouden gulden bekend, en die vermeldt Huissen juist niet. Aan het eind van het omschrift staat alleen een letter h. Roest merkte al op dat de goudgulden van hertog Willem daar een A heeft. Benders leest die letters als muntplaatsen, met de h voor Huissen, maar sluit niet uit dat hetzelfde type in Harderwijk is geslagen. Dat begint immers ook met een h.
Opvallend is dat alle Huissense munten navolgingen zijn van munten van haar vroegere rivaal. Benders noemt twee mogelijke redenen: het hielp de acceptatie in Gelre, en het hield haar oude positie zichtbaar.
Helemaal goed ging het niet. In een Arnhemse stadsrekening over 1383 en 1384 staat een post over verlies op de Mechteltsche groten. Haar geld was minder gewild dan het Gelderse origineel. Mogelijk zat er minder zilver in, maar wantrouwen alleen kon ook al een lagere koers opleveren.
Wanneer stierf ze
Hier zit een van de aardigste vondsten van het artikel. In de literatuur wordt sinds Van Schilfgaarde algemeen aangenomen dat Mechteld op 21 september 1384 in Huissen stierf en werd begraven in het klooster Mariëndaal bij Arnhem.
Benders laat zien dat dat niet kan kloppen. Er bestaat al een verdrag uit het voorjaar van 1384 over het afwikkelen van haar erfenis, gepubliceerd door Lacomblet, waarin ze als overledene wordt genoemd. In een rekening van kort voor Pasen is al sprake van “mer vrouwen van gelre dier god ghedenke”. En het klooster Mariëndaal is volgens Grube pas acht jaar na haar dood gesticht, dus daar kan ze onmogelijk begraven zijn, tenzij ze is herbegraven.
Op basis van het memorieboek van het stift Kleef, uitgegeven door Gorissen, komt hij uit op 1 maart 1384. Ruim een half jaar eerder dan de datum die overal wordt herhaald.
Haar Bommelse jaren lagen toen al vijf jaar achter haar.
Bron
Jos Benders, “De muntslag van Mechteld van Gelre (1371-1384)”, Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 106 (2019), 55-77. Daarin verwerkt: P.O. van der Chijs (1852 en 1853), T.M. Roest, A.P. van Schilfgaarde, A.H. Verhoef, G. van der Meer, J.J. Grolle, W. Thoma, T.J. Lacomblet, F. Gorissen en K.L. Grube
Gallerij
